De functie van stadstuinen

 

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

‘De maatschappelijke waarde van buurtmoestuinen is beperkt.’ Bij deze aankondiging op de radio veer ik even op. De geïnterviewde is Esther Veen, die de dag daarvoor aan de Landbouw Universiteit Wageningen is gepromoveerd op het proefschrift ‘Community gardens in urban areas’.  De algemene conclusies zijn dat zowel de bijdrage aan sociale cohesie, als de bijdrage aan een alternatieve voedselvoorziening worden overschat. Het merkwaardige van het interview is dat er door de onderzoekster heel veel positieve dingen over buurtmoestuinen worden gezegd. Mensen leren elkaar kennen, werken samen op de tuin en helpen elkaar. Er gebeuren ook andere dingen dan tuinieren. Kinderen zien hoe voedsel groeit. Allemaal positieve dingen eigelijk.

Toch is het een gesprek in mineur gevoerd op een wat laatdunkende toon. Het stelt allemaal niet veel voor. De buurtmoestuinen voldoen niet aan de verwachtingen. Een buurt in problemen wordt er niet door opgeknapt en ons voedselsysteem wordt er niet door veranderd. Nu ken ik aardig wat buurtmoestuin initiatieven en ook wat grotere stadslandbouw projecten in Zwolle, maar die hebben met hun initiatief ambities die veel bescheidener zijn. Die willen over het algemeen vooral de kleine positieve effecten die door de onderzoekster in de uitzending worden benoemd. Sommige projecten maken plannen op wat grotere schaal en proberen van hun initiatief een maatschappelijke onderneming te maken.

In het onderzoek worden de moestuinen gekoppeld aan de participatiemaatschappij. Naar mijn idee zit daar het probleem. De buurtmoestuinen worden niet beoordeeld op de bedoelingen van de initiatiefnemers, maar op de ambities van de overheid. Dat is niet fair. In de afgelopen jaren heb ik veel bestuurders en politici gezien en gehoord, die met veel enthousiasme de buurtmoestuinen omarmden als voorbeelden van participatie. Dat is prettig als dat leidt tot praktische steun voor deze projecten. Niet zelden is de worsteling met de gemeente voor beginnende projecten immers de grootste hobbel. Dat enthousiasme is echter bedenkelijk als het betekent dat de overheid in de buurtmoestuin een legitimatie ziet om zich terug te trekken uit het sociale domein, omdat burgers dit nu ‘blijkbaar met succes’ overnemen. De kritiek van Esther Veen in het interview is eerder van toepassing op de overspannen verwachtingen van de overheid, dan op de buurtmoestuinen als zodanig.

Als het gaat om moestuinen en voedselproductie is er iets soortgelijks aan de hand. Wie aan stadslandbouw doet, of een biologische moestuin begint heeft meestal niet de ambitie om daarmee het gehele voedselsysteem te veranderen. Er zijn hele goede redenen om wel lokaal biologisch voedsel te produceren. Wat is er mis mee als we de aanzienlijke percelen die gemeenten in eigendom hebben met het oog op toekomstige woningbouw tijdelijk gebruiken voor stadslandbouw? Kunnen we daarmee de hele stad van voedsel voorzien? Natuurlijk niet, maar dat was ook niet het doel. We kunnen wel een bijdrage leveren aan het bewustzijn waar ons voedsel vandaan komt. We kunnen er de randen van onze steden ook aantrekkelijker mee maken. We kunnen er plaatsen van maken, waar mensen werkervaring op kunnen doen. Bescheiden, maar relevante en realistische doelstellingen.